Aartselaar

Aartselaar heeft een inwoneraantal van ongeveer 14.500 en is een plaats en gemeente in de provincie Antwerpen. Tot het einde van de vroege middeleeuwen is Aartselaar een gehucht in het moedergouw Kontich, een gebied dat zich toenmaals uitstrekte tot aan Schelde en Rupel en naast Kontich ook de gemeenten Hemiksem, Schelle, Niel, Boom, Aartselaar, Reet, Waarloos, Lint, Hove, Edegem en Mortsel omvatte. Oorspronkelijk was deze grote Kontichse gouw een patronaatgebied van de abdij van Lobbes, gebied dat later overging in handen van de machtige familieclan der Berthouts, Heren van Mechelen. Door geldgebrek van de regerende vorsten of van de verarmde kerk gaan deze grote bestuursgebieden hoe langer hoe meer versplinteren naar steeds kleinere entiteiten om uiteindelijk uit te monden via de lokale Heerlijkheid in de zelfstandige gemeente Aartselaar zoals we die nu kennen.

In de Middeleeuwen werd Aartselaar een zelfstandige parochie. 1309 is een belangrijk jaartal in de lokale geschiedenis. Omdat de afstanden om 's zondags mis bij te wonen als te groot worden beschouwd verkrijgt Aartselaar het recht om een zelfstandige parochie te worden binnen de parochie Kontich. Vanaf 1302 was er al een houten kapel, pas veel later kwam er een kerk, die in de loop der eeuwen nog verschillende malen vergroot werd. Op bestuurlijk vlak bleef het een gehucht van de jurisdictie Kontich, maar de in 1309 bij akte vastgelegde parochiale grenzen zullen later ook de basis vormen voor de bestuurlijke grenzen van ons dorp.

Gedurende het verdere verloop van de Middeleeuwen brokkelden de territoriale grenzen van het gebied Kontich stilaan af door oorlogen of twisten. Op het einde van de Middeleeuwen kwam Filips De Schone, Koning van Spanje, in geldnood. Hij verkocht stukken van zijn rijk aan plaatselijke heren tegen aanzienlijke sommen geld. Adriaan Sanders was toen wel Heer van Cleydael, maar had nog geen rechten als heer over het gehucht Aartselaar. In de Moderne tijden werd Aartselaar een zelfstandige Heerlijkheid.

Keizer Karel verkocht in de zestiende eeuw geen gronden meer, maar zijn zoon Filips II kampte opnieuw met geldgebrek in de troebele tijden der Inquisitie. Ridder Charles Micault, heer van Cleydael, kocht in 1557 van Filips II de gebieden binnen de grenzen van de parochie Aartselaar, echter ook met recht van terugkoop door de Vorst. Daardoor ontstond de zelfstandige Heerlijkheid Aartselaar, die in 1558 ook een eigen schepenbank kreeg. Na de dood van ridder Charles Micault koopt Antonio del Rio in 1561 deze heerlijkheid over van de weduwe, Blanche de Bourdeaux. In 1589 werd Gillis Hooftman door erfenis Heer van Cleydael en Aartselaar.

In de zeventiende eeuw vergrootte Pieter Hellemans, toenmalig heer van Aartselaar, het kasteel Cleydael. De heerlijkheid Aartselaar kwam in 1644 door aankoop in het bezit van de Pascal François van den Cruyce: hij was de eerste die de heerlijkheid Aartselaar met Cleydael in volle eigendom erfelijk bezat. Deze bezittingen bleven in handen van de familie van den Cruyce tot aan het einde van het Ancien Régime. Onder Maria Theresia van Oostenrijk werd in de periode 1758-1763 een gekasseide weg van Boom naar Antwerpen aangelegd. In de Hedendaagse Geschiedenis kreeg Aartselaar ook z'n hedendaagse bestuursvorm. In 1794 werden door de Franse bezetter de heerlijke rechten afgeschaft. De Heerlijkheid verdween en de democratisch bestuurde gemeente kwam in de plaats.

In het onafhankelijke België werd Charles De Crane de eerste burgemeester in Aartselaar. Aartselaar, waar op het einde van het Ancien Régime 1300 inwoners in hoofdzaak op landbouwgronden omgord door bossen verblijven, blijft een uitgesproken landbouwdorp tot na de Tweede Wereldoorlog.


Bekijk hier ons aanbod hotels in Vlaanderen