Gotiek

De gotiek is de naam voor de laat-middeleeuwse stijlvorm in de beeldende kunsten en de architectuur. Het wordt gezien als de eerste echt vernieuwende stijl sinds de val van het Romeinse Rijk. De term gotiek is geenszins eenduidig; er waren grote regionale verschillen en er is vanaf het ontstaan ook een duidelijke chronologische ontwikkeling te zien. Ondanks deze verschillen is er ook wel een aantal gemeenschappelijke kenmerken te benoemen. De belangrijkste eigenschap van de gotiek is de drang naar verticaliteit. Gebouwen worden steeds hoger en daardoor schijnbaar smaller, in de beeldhouwkunst en schilderkunst zien we langgerekte figuren en omhoogrankende plantenfiguren. Het veelvuldig gebruik van spitsbogen, lange gewaden, spitse schoenen, puntige hoeden, baldakijnen en dergelijke versterkten deze verticaliteit. Andere kenmerken zijn een hoge mate van transparantie en realisme. In de 14de, 15de en 16de eeuw ging de gotiek over in de Renaissance, het eerst en min of meer abrupt in Italië, waar de gotiek nooit echt populair werd. In Noord-Europa was de overgang veel geleidelijker en zien we veel overgangsvormen. In Nederland bleef de gotische vormentaal tot in de 17de eeuw gebruikt worden, met name voor kerken.

De term voor de kunststroming die we nu gotiek noemen wordt voor het eerst gebruikt door de Italiaanse architect Giorgio Vasari. Als hij in opdracht van de Hertog van Farnese in 1546 een overzicht maakt van alle bekende kunstenaars sinds de oudheid, gebruikt hij in dit (zeer invloedrijke) boek deze naam voor alle laat-middeleeuwse kunst waarin de de hang naar verticaliteit terug te vinden is. De (renaissance)architect Vasari vindt de stroming een primitieve Noord-Europese dwaling, die van de door de renaissancekunstenaars zo bewonderde Romeinse vormentaal afleidde. De naam is dus als scheldwoord bedoeld; de Gothen gelden in die tijd als de veroorzakers van de val van het Romeinse Rijk.

Voorbeelden van Belgische Gotiek:

Religieuze kunst:
Koor van de kathedraal van Doornik, de cisterciënzer abdijen van Orval, Villers-la-Ville en Koksijde.

Baksteengotiek:
Onze-Lieve-Vrouwekerk in Brugge, kerk en voormalige cisterciënzer abdij van Lissewege.

Brabantse gotiek:
Sint-Michielskathedraal in Brussel, Onze-Lieve-Vrouwekathedraal in Antwerpen, Sint-Romboutskathedraal in Mechelen.

Beeldhouwkunst:
Talrijke polychrome houten retabels, Brabantse retabels van Hakendover (Jubelparkmusea, Brussel); koorstoelen, kruiswegen, grafmonumenten.

Schilderkunst:
De Vlaamse primitieven bezorgden de Vlaamse schilderkunst een gouden eeuw. Deze kunstvorm leunde oorspronkelijk dicht aan bij de miniatuur. Het bekendste kunstwerk in dit genre is wel de Aanbidding van het Lam Gods, een retabel van Jan van Eyck, dat te zien is in de Sint-Baafskathedraal in Gent. Het was trouwens Van Eyck die de olieverftechniek vervolmaakte, een schildertechniek die later door de Italianen overgenomen zou worden. Ook Rogier van der Weyden en Hans Memling zijn beroemde vertegenwoordigers van deze stroming (Memlingmuseum in het Sint-janshospitaal in Brugge).